28 juni 1941

Hoe wordt het honkbal gespeeld? II

Een uiteenzetting van de spelregels

IN ons vorig artikel schreven we, dat het werpen aan bepaalde eischen moet voldoen. Welnu de werper, die op de rubber werpplaat staat, moet den honkbal, ter grootte van een perrybal doch dan harder, ten eerste over het thuishonk gooien. Dat is de vijfhoekige rubberplaat waar u den slagman, hetzij aan linker-, hetzij aan den rechterkant naast ziet, al naar gelang natuurlijk of de man links of rechts is. In gespannen aandacht staat, daar dus in één van beide slagperken de slagman. De werper gooit den bal hard of zacht in zijn richting, zooals hem dat op zoo'n moment uit tactische overwegingen het beste uitkomt en toch slaat de man aan slag niet, terwijl de bal zoo mooi over de rubberplaat heensuisde.

Dat behoefde de slagman echter in dit geval ook niet te doen, want de volgende bepaling bij het werpen luidt, dat de batter of slagman ook niet behoeft te slaan indien de bal onder kniehoogte of boven zijn schouder gaat.

U zag dus, dat de batter rustig met zijn knuppel in dezelfde houding bleef staan en een ander met een groot masker en nog meer van die ,,spullen" aan. den bal in 'n flinken dikken handschoen liet vallen. Welnu, dat is ook .een tegenstander van den slagman het is de catcher of achtervanger Maar daarachter staat er nogal een met van die dingen aan en die roept wat. Dat is de scheidsrechter en wel de hoofdscheidsrechter, de man die er voornamelijk op moet letten, of de ballen wel tusschen de knie en schouder van den slagman over de plaat gaan en zoo juist „wijd" riep, omdat de werper aan de gestelde eischen niet voldaan heeft en net even te laag gooide.

De volgende maal evenwel gooit de pitcher wél zuiver en al verzuimt de batter den bal een flinken tik te geven toch roept nu de hoofdscheidsrechter (S), die achter den vanger staat „slag", omdat deze worp aan alle gestelde eischen voldeed. De slagman heeft den bal dus verkeerd „bekeken”, wordt daardoor wellicht wat minder zeker van zijn zaak en mist hierna een bal, waarop hij niet eens had behoeven te slaan. Zooiets is natuurlijk in een enkel oogenblik gebeurd en weer roept de scheidsrechter 'n „slag" af, want al kon u vanuit het publiek al zien, dat het een „dikke wijdbal" was, de batter heeft er naar geslagen, dus is 't „slag". De man is nu zoode „kluts kwijt", dat hij ook den volgenden bal mist en gooit dan zijn knuppel in het gras, de scheidsrechter heeft n.l. weer slag geroepen, dus is het 3-slag, en is hij uit, waardaar zijn opvolgende medespeler aan de beurt is.

Die medespeler treft het beter, want al krijgt ook hij 3-slag, toch is de man niet uit, omdat de achtervanger den laatsten bal niet ving en een meter of drie liet doorschieten. Het gevolg was, dat de batter ondanks den 3-slag kon probeeren het 1e honk te bereiken; probeeren schrijven we, omdat de catcher of achtervanger zooals de man met dat masker heet, den slagman toch nog uit kan maken. Hij moet er nu voor zorgen, dat de bal eerder in het bezit van den met het 1e honk in aanraking zijnden 1en honkman is, dan de slagman deze 27 1/2 meter heeft kunnen afleggen.

't Is den batter gelukt er juist even eerder te zijn en terwijl de werper tracht den volgenden slagman uit te maken, neemt hij zijn kans waar. Hij snelt naar het 2e honk, doch blijkt zijn tegenstanders onderschat te hebben, want nadat de achtervanger den bal van zijn werper heeft ontvangen, gooit hij hem ineens naar zijn 2en honkman. De honklooper zooals men den slagman nu is gaan noemen, ziet zich den pas afgesneden en maakt rechtsomkeert, terug naar het veilige 1e honk, hetwelk hij echter niet meer kan bereiken. De 2e honkman heeft n.l. den bal snel naar zijn collega op het 1e honk geworpen, waar de laatste profiteerend van het feit, dat de honklooper zijn vaart niet snel genoeg kon stuiten om wederom rechtsomkeert te maken, dezen met den bal in zijn hand heeft kunnen uittikken. Er zijn nu dus twee tegenstanders uitgemaakt en in het volgende artikel zullen we eens zien hoe en wanneer het derde „slachtoffer" valt.