woensdag, 20 april 1988

John Barrett: Een umpire geeft zich bloot

(Foto: Play Off)
Af en toe, als de messcherpe kritiek wordt behangen met zeer treffende en dus ook persoonlijke voorbeelden, klinkt nadrukkelijk het verzoek door de opname-apparatuur gedurende enkele minuutjes buiten werking te stellen. Het zijn slechts sporadische ogenblikken van bezinning, want voor het overgrote gedeelte praat John Barrett zonder remmingen. Op de manier zoals hij een wedstrijd leidt, of het nu basketball of honkbal is. Vanuit de losse pols, spelend met spelers en (soms) spelregels. Nimmer teruggrijpend naar zijn status van diplomatieke onschendbaarheid, maar te allen tijde de bereidheid tonend om zijn visie in te ruilen voor een betere. Dat die laatste mogelijkheid zich zelden of nooit voordoet, tekent zijn onverbiddelijke vakmanschap.

John Barrett, in iedere tak van sport (basketball, honkbal, softbal, American football en continentaal voetbal) de vriend van de speler. De populairste, oordeelden in het verleden de verschillende commissies. Nee, menen nog steeds spelers en coaches, de beste. Barrett profiteert van dat aanzien en kan zich een mindere dag veroorloven, waar iedere andere minder gereputeerde arbiter ogenblikkelijk tot de grond toe wordt afgebrand. Nog altijd wordt in basketballend Nederland weemoedig over zijn door de scheidsrechtercommissie bevolen vertrek gesproken, getreurd is eigenlijk een beter woord. Het lijdend voorwerp zelf wil liever niet meer met die wonden geconfronteerd worden. Hij heeft erz'n buik echt vol van.

" ledere honkbalscheidsrechter", zegt de 49-jarige leraar geschiedenis aan een internationale school in Amsterdam, droomt er van om aangewezen te worden voor een wedstrijd in het Pim Mu-lier-stadion. En iedereen weet dat je daar een goede wedstrijd gedaan moet hebben, wil je een kans maken om hogerop te komen. Hetzelfde geldt bij basketballarbiters voor de Amsterdamse Apol-lohal. Toen ik in de eredivisie floot en er dus nog helemaal bij hoorde, heb ik de laatste vier jaar welgeteld drie wedstrijden in de Apollo-hal gekregen. Dat is geen toeval als je, zoals ik, veertig wedstrijden per jaar leidt. Ze wilden me duidelijk niet meer zien daar. Ach, laat maar", zegt Barett, al kost het hem de grootste moeite om hier niet dieper op in te gaan.

Of het nu over honkbal, softbal, basketball of American football gaat, John Barett weet waarover hij praat. Hij noemt het 'thuisspor-ten', ingegoten met de paplepel. Des te verwonderlijker is het dat hij zich als scheidsrechter ook op een sport als het continentale voetbal stortte. Echter niet met de gedrevenheid die hem zowel in het basketball (zijn nationaliteit voorkwam plaatsing op de internationale lijst) als in het honkbal meer dan landelijke erkenning bezorgde. De kleine, bebrilde Amerikaan houdt zich in Den Haag en omgeving louter onledig met het leiden van dameswedstrijden. "Ik doe het om m'n conditie op peil te houden. Hoewel ik van origine een lange afstandloper ben, voel ik er niets voor om in m'n eentje te gaan joggen. Vroeger vond ik ook alleen de atletiek-wedstrijden zelf leuk."

Magisch

Sport heeft een magische klank voor John Barrett. "In Amerika woonde ik op dertig meter van een honkbalveld. Als ik dan wakker werd, hoorde ik pats, pats, het geluid van kontakt makende honkbalknuppels. Dan draaide ik me nog eens om, maar zodra ik krak, krak hoorde, schoot ik in m'n kleren en ging ik naar het veld. Toen speelden ze nog met hout en wist ik dat de echte honkballers bezig waren. En wat basketball betreft, mijn vader was coach van een rondreizend basketballteam. Hij had vier hele goede en twee slechte spelers. Eén van die slechte spelers was de chauffeur van de vrachtwagen, waarmee ze naar wedstrijden gingen en de andere was de timmerman. Die had m'n vader nodig om de baskets neer te zetten".
Barrett: meer wedstrijden verhogen het niveau (Foto: Play Off)

De drijfveer vormt de beweging die in iedere sport schuil gaat, al zijn er beslist meer zweetdruppels kostende klussen te bedenken dan stram een positie op het derde honk innemen om vervolgens in drie uur honkbal tot welgeteld één call te worden gedwongen.

" Het andere", geeft Barrett openhartig toe, "is natuurlijk de ijdelheid. Het egoïsme dat iedere scheidsrechter heeft. Dat de mensen na afloop tegen je zeggen 'goed gedaan, jochie'. En dat is dan weer de reden waarom ik als softbalscheidsrechter ben gestopt. Daar kreeg ik pas complimenten van speelsters als Ans Kroon en Ger Janne Treuren toen ik van het toneel was verdwenen. Toen kreeg ik er nog meer de pest in. Jesus, waarom hebben ze nooit een keertje tegen me gezegd dat ik het goed had gedaan. Was dat echt zo veel moeite? Ik ben geen scheidsrechter in de zin van een politie-rechter. Ik ben alleen geïnteresseerd in het eerlijk verloop van een wedstrijd. Dus kan ik een hoop toleren".

Radicaal

André Prins, Bart Brebde en ik hebben in de jaren zeventig de scheidsrechterij bij het softbal radicaal veranderd. Niet met een grote bek. Zelfs de kerels met de meeste weerstand moesten daar op den duur aan toegeven. De laatste jaren geldt hetzelfde voor het honkbal. Die inbreng wordt voor 99,9 procent geleverd door Chris Pieters, Fred van Groningen Schinkel en mij. De commissie heeft de touwtjes in handen, maar de technische leiding lag en ligt bij ons. Alles dat goed of slecht is, dat hebben wij met z'n drieën geregeld. Onze mening wordt gevraagd en dan was het even later een wet. Zo is het met de laatste twee winterclinics ook gegaan. Je zou ons het beste kunnen omschrijven als een officieuze advies-commissie". Kritiek zal er evenwel altijd blijven, al blijven honk- en softbalvelden gelukkig verstoken van allerlei vandalen die de gang naar de voetbalstadions stilaan tot een absoluut minimum hebben teruggebracht. Honkbal is een schone sport, met relatief zeer weinig persoonlijk contact (alleen op de honken), maar wel een sport waarbij degene die het minste op zijn mondje is gevallen soms goede zaken kan doen. Toch waaien steeds vaker twijfelachtige tendensen uit bijvoorbeeld de voet-balsport over. Een beslissing of deze nu is genomen van achter de catcher of op de kussens, wordt regelmatig aangevochten en het daarmee gepaard gaande taalgebruik heeft er toe geleid dat de tolerantie dit seizoen bijzonder laag zal zijn.

Rottigheid

John Barrett: 'ik ben alleen geïnteresseerd in een eerlijk verloop van de wedstrijd (Foto: Play Off)
Barrett: "Wij nemen geen bullshit meer, geen rottigheid, geen enkele opmerking. Dat hebben we tijdens de eerste bijeenkomst met de topsportcoaches heel duidelijk gesteld. Ik heb gehoord hoe jongens vanaf het derde honk de scheids bij het eerste uitscholden. En andersom. Als zo iemand wat tegen mij zegt, daag ik hem uit, sta ik face to face. Dan hoef ik als scheidsrechter niet te zeggen nog één woord en je ligt er uit. Dan zeg ik: 'ik heb het niet goed gehoord, wil je het nog een keer zeggen. Dan houdt het op. Ik drink als een vis, maar wel na afloop. Maar als een speler niet happy is met mijn call en zegt dat ik dronken ben of nog een kater heb van de dag er voor, dan is hetgoodbye. En dat is vorig jaar een international een keer overkomen."

"Het is een beetje de Amerikanisering van het spel. De mensen zien op de TV de tonelen van Earl Weaver, zien hoe agressief coaches een scheidsrechter benaderen, maar....zij horen niet wat er wordt gezegd. In Nederland willen ze die facetten na-apen. Ze denken dat er een hoop mag, maar in Amerika liggen er keiharde grenzen. Daar komt de manager uit de dug-out, loopt naar de scheidsrechter en zegt 'you could never have seen that fucking call, you 're in the wrong position, get your ass in the ballgame'. Dat is alles. Ze zeggen niet dat je dronken bent, dik, blind of klein. Ze schreeuwen, maar ze kennen hun grenzen. Ik ben een Amerikaan. Jongens die te ver willen gaan, weten dat ik de grens ken. Chris Pieters zal dat probleem ook niet kennen. Dat gaan steeds meer spelers steeds beter aanvoelen."

Slagzone

Naast het minder of het in het geheel niet accepteren van verbaal geweld, zal de veranderde slagzone dit seizoen wellicht vaak stof tot spreken geven. Barrett: "Een kwestie van het aanpassen van de internationale normen. Vijftien jaar geleden zaten we te hoog, toen zijn we naar beneden gegaan. Vier jaar geleden zaten we weer te laag, dichter bij de knie, maar de riembal zal altijd een wijd blijven. Een slagbal ligt nu tussen kin en riem. Het was de riem plus één vuist, nu is het de riem plus twee vuisten. Neem de Major League, daar heeft men de slagzone verlaagd om deze weer omhoog te brengen." Barrett staat ook beslist open voor kritiek, met de uitdrukkelijke vermelding dat hij zelf bepaalt of degene die daarmee op de proppen komt, in zijn categorie 'kenners' thuishoort. Barrett, ooit coach van de Nicols, uit z'n twijfels over de deskundigheid van coaches, publiek en verslaggevers. "Er is", zegt hij, een groep technisch goed geschoolde coaches, die veel van verdedigen weten, maar die minder verstand hebben van slaan. Het publiek en de verslaggevers weten bijna helemaal niets. Als je tegen een goed team een loper op drie hebt, je zit in de zevende inning en er is een uit, dan snapt men niet als je niet gaat squeezen. Maar dat heeft te maken met de pitcher, de slagman en de honkloper. Als je die factoren opsomt, is het vaak de gemakkelijkste nul. Het andere team hoopt als het ware dat de tegenstander gaat squeezen. En dan is het weer gemakkelijker om te squeezen in de tweede dan in de negende inning, omdat het dan niet wordt verwacht."

Voetbal

"Een enorm probleem in Nederland voor honkbal is het voetbal. En de gedachtengang die bij die sport hoort. Het is ongelooflijk hoeveel coaches trainen heilig vinden, hoe heilig ze batting-practi-ce vinden. Met een georgrafisch poule-systeem moet het in een landje als Nederland toch mogelijk zijn om meer avondwedstrijden te spelen. Maar toch is Eindhoven-Almere doordeweeks niet haalbaar. Men denkt hier dat je geen publiek krijgt als je meer wedstrijden gaat spelen. Men denkt aan weekends en kantine-omzetten. Dat is het grootste struikelblok. Het beste honkbal op de colleges wordt ook maar voor dertig, veertig toeschouwers gespeeld. Maar ze spelen wel iedere avond. Toen de Verenigde Staten in 1986 in Utrecht voor 10.000 toeschouwers tegen Cuba moesten spelen, zeiden de spelers tegen me 'Jesus, it's tough enough forplaying these Cubans, but we're not used to this crowd'. "Het niveau kan echt alleen maar beter worden door veel en veel meer wedstrijden te spelen. Dat geldt natuurlijk ook voor de arbitrage. Maar we hebben nu de grens van het pro deo-werk bereikt. Drie wedstrijden in de week wordt een te grote belasting. Twee keer per week, dat kan nog net. Bij honkbal zijn die problemen nog groter dan bij softbal vanwege de lengte van de wedstrijden. Plus het feit dat het leiden van honkbalwedstrijden in Nederland slecht wordt betaald, het slechtst van alle sporten. Vijf gulden vergoeding plus 33 cent per kilometer. Ik schaam me dood als ik met een Engelsman, een Belg of een Zweed, landen waar honkbal niets voorstelt, over dergelijke bedragen praat. Dat geloven ze niet."
(Foto: Play Off)

Toppers

Barrett prijst het niveau van de Nederlandse arbitrage, maar hij geeft tussen neus en lippen wel toe, dat er na de top zes (Pieters, Barrett, Van Groningen Schinkel, Hout, De Kramer, Bodaan) een ontzettend groot niemandsland ligt. "Er zijn er een paar die erg slecht zijn." En opnieuw wordt verzocht de pocket-memo uit te schakelen. "Ik kan achter de slechtste scheidsrechter zo maar vijftien namen opnoemen van anderen, die bereid zijn die plaats in te nemen. Maar aan de andere kant, we hebben zes toppers en vijf wedstrijden per dag. Wees dan gelukkig met dat aantal, dat zijn er meer dan je nodig hebt. In het betaalde voetbal worden negen wedstrijden per dag gespeeld, maar hebben ze daar dan negen toppers?" Feit is dat de coaches een onbekende en in hun ogen al op voorhand minder capabele scheidsrechter tot het uiterste toe testen. 'The tric of winning is doing everything they let you get away with'", haalt Barrett de uitspraak van een grote Amerikaanse coach aan. "Coaches vallen bepaalde scheidsrechters aan, omdat ze weten dat dat een wedstrijd kan veranderen. Zet hem onder druk en je krijgt de eerste tien twijfelballen mee. Punt is dat op zijn beurt de andere coach na de eerste drie beslissingen die dan volgen begint te mekkeren. Een werper weet dat hij tegen mij niet moet zeuren, niet tegen Pieters, niet tegen Schinkel en niet tegen De Kramer, die heeft dat nu ook goed in de gaten. You don't fuck around with those guys. Ze nemen geen wraak, maar als ze gestoord worden door een team, dan buigen ze niet voor een speler of coach, maar tegen hem."

Serieus

En Barrett somt namen op van spelers die in zijn ogen totaal niet geschikt zijn voor de hoofdklasse. "Er is gelukkig veel veranderd in de loop der jaren", meent Barrett, die in 1963 voor het eerst voet op Nederlandse bodem zette. "In 1964 heb ik voor The Hawks gespeeld, in Dordrecht. De hoofdklasse was toen al serieus. Toen al was een speler van het eerste team niet langer de zoon van een bestuurslid. Er waren natuurlijk nog verenigingen, Hoofddorp en Tex Town Tigers bijvoorbeeld, waar dat niet zo was. Waar spelers op grond van de verdiensten van hun club een pak voor het eerste kregen, maar nul komma nul talent hadden of in ieder geval niet rijp waren voor dat team. Het serieuze honkbal wordt hier zeker al twintig jaar gespeeld, maar ja, wat vind jij serieus...?" Barrett wordt zelfs lyrisch als hij honkbal vergelijkt met ballet. "Ballet met grote spieren", zegt hij. "Je kunt domweg nooit een dubbelspel maken als het niet gracieus is. Een lelijk dubbelspel bestaat niet, punt uit. Bill Groot en Steve Matthews, als je die een stretch ziet maken op het eerste honk, dat zijn ballerina's. En in-fielders als Lou Halkema, Gerard Blacquière en Robert Eenhoorn. Hier gooien ze iemand op de heuvel en voor je het weet, noemen ze hem een pitcher. Als je Eric de Vries ziet. Hij heeft de verkeerde bouw vooreen pitcher, korte spieren, maar hij heeft de juiste instelling en daarom is hij een goede pitcher. Ik heb het jaren geleden met Bill Arce over Eric de Vries gehad. Arce zei: 'Als hij niet meer kan gooien, stapt hij van de heuvel naar je toe en hij bijt je'. Die instelling, hè. Daar kun je heel ver mee komen."